U bent hier

Energietoekomst van Europa smaakt zoetzuur

Karsten Würth

Het Europees Parlement trekt haar ambitie serieus op. Tegen 2030 moet de energie-efficiëntie en het aandeel hernieuwbare energie minstens 35% bedragen. En historischer: ten laatste tegen 2050 moet Europa een nuluitstoot bereikt hebben. Op zich goed nieuws. Alleen zijn de lidstaten minder ambitieus. En ook het Parlement zelf zal haar doelstellingen verder moeten opkrikken om de opwarming van de Aarde onder de 2°C te houden.

Zoetzuur

Het Europees Parlement besloot om de ontoereikende doelstellingen die de Europese Commissie had voorgesteld, op te krikken en de langetermijndoelstellingen klaar en duidelijk op papier te zetten. Dat is beslist een stap in de goede richting. Zo daagt het Europees Parlement de lidstaten uit, die in hun standpunt veel minder ambitieus zijn. De onderhandelingsronde tussen het Europees Parlement en de Europese Raad zal op het scherpst van de snee zijn. Toch smaakt het eindresultaat van de stemming toch ook wat zuur. De doelstellingen van het Parlement zijn nog steeds onvoldoende om onze engagementen van het Parijsakkoord na te komen en de opwarming van ons klimaat ruim onder de 2°C te houden. De EU zal in de komende jaren nog sterker uit de hoek moeten komen om de klimaatuitdaging te overwinnen.

Hernieuwbare energie

De productieprijs voor hernieuwbare energie is recent nog sterk gedaald. Toch werd een bindende doelstelling van 40% hernieuwbare energie weggestemd. Wel een opsteker is dat het voorstel van de Commissie voor een niet-bindende doelstelling van 27% werd opgetrokken naar 35%. De Parlementsleden stemden ook voor een uitfasering van palmolie als grondstof voor biodiesel tegen 2021, hoewel andere brandstoffen op basis van landbouwgewassen wel toegelaten blijven. Co-verbranding van steenkool en biomassa in elektriciteitscentrales worden uitgesloten van hernieuwbare energiesubsidies. Ondanks een grote wetenschappelijke consensus dat hele bomen verbranden voor energieopwekking een slecht idee is, werd een voorstel om enkel nog reststromen zoals takken en twijgen in aanmerking te laten komen, weggestemd.

Goed bestuur

De technische Governance (bestuur) Richtlijn mag dan weinig tot de verbeelding spreken, ze is wel erg belangrijk. De richtlijn geeft aan hoe en wanneer de lidstaten moeten plannen, monitoren en rapporteren over de vorderingen in de energietransitie. Het Parlement stelt nu voor het eerst klaar en duidelijk een netto nuluitstoot tegen 2050 voorop, voor alle lidstaten. Tegen 2019 moet elk land een plan op tafel leggen.

Energie-efficiëntie

Het echte politieke drama was voorbehouden voor de stemming over de Energie-Efficiëntie Richtlijn (EED). Daar stond ook het meeste op het spel. Compromisonderhandelingen tussen de twee grootste fracties - de christendemocratische en de socialistische - sprongen op het laatste nippertje af, waardoor het tot een erg spannende stemming kwam. Uiteindelijk koos het Parlement voor een bindende doelstelling van 35% besparing tegen 2030. Dat laat nog een groot aandeel van het kosteneffectieve potentieel van 40% onaangeroerd, maar is toch een mooie stap vooruit ten opzichte van het initiële voorstel van de Europese Commissie. Voor elke 1% extra energiebesparing tegen 2030, daalt de aardgasimport in de EU met 4%, de broeikasgasuitstoot met 0,7% en stijgt de werkgelegenheid met 336.000 jobs.

Het cruciale artikel 7 van de EED, dat de lidstaten verplicht om jaarlijks 1,5% energie te besparen, werd door het parlement versterkt op verschillende punten. Zo trekt het Parlement nu energiegebruik van transport binnen in de richtlijn, wat een enorme impact zal hebben. Jammer genoeg blijven er tegelijk nog een hele reeks achterpoortjes open in dit artikel, waardoor de EU-landen nog tot één vierde van hun jaarlijkse besparingsverplichting kunnen ontlopen.

Energiebesparing: de paringsdans

Nu zowel de Europese Raad als het Parlement hun positie bepaalden, volgt de paringsdans. Hoewel de Europese Raad vorig jaar het voorstel van de Europese Commissie nog verder uitholde door de 30%-doelstelling indicatief te maken en een hele rits achterpoortjes en uitzonderingen toe te voegen, vormde zich binnen de lidstaten toch een groeiende groep van ambitieuzere landen rond de tandem Frankrijk-Duitsland. België daarentegen bevond zich verbazingwekkend genoeg in het blok dat op de rem stond, tussen landen als Roemenië, Hongarije, Polen en Brexit UK.

De schizofrene houding van minister Tommelein

Vlaams minister van Energie Bart Tommelein laat geen kans onbenut om het belang van energiebesparing in de verf te zetten. Ook in het ontwerp van het energiepact krijgt energie-efficiëntie een prominente plaats. En terecht. Professor Johan Albrecht schat in zijn boek Energie Trilemma het besparingspotentieel in België op 1700 MW en noemt energie-efficiëntie een basisvoorwaarde voor elk energiesysteem van de toekomst. In het kader van de discussie over de kernuitstap heeft energiebesparing ook veel aan belang gewonnen.

Maar waarom staat Vlaanderen binnen België en Europa dan op de rem voor meer ambitie? Antwoord: op vraag van de chemische industrie in de Antwerpse haven. “Die heeft al veel inspanningen geleverd en staat aan de top qua energiebesparing”, zo luidt de argumentatie. “Het moet haalbaar blijven.”

Energiebesparingsbeleid in Vlaanderen moet evenwichtiger verdeeld worden

Gek genoeg heeft de Vlaamse overheid zelf voor deze rem op ambitie gezorgd. Vlaanderen rekent voor het grootste deel (63%) op de energiebesparing van de energiebeleidsovereenkomsten (EBO’s) om onze doelstellingen te behalen voor Europa. 30% komt op rekening van de openbare dienstverplichtingen van de netbeheerders en de rest wordt toegewezen aan een kilometerheffing voor vrachtwagens. De industrie hoeft eigenlijk niet te klagen, want de EBO’s zijn vrijwillige besparingsovereenkomsten, waar een fikse vergoeding tegenover staat. Toch hebben ze een punt wanneer ze vragen dat de sectoren van de gebouwen en transport ook hun steentje moeten bijdragen. In andere landen is de energiebesparing helemaal anders verdeeld. Toen de EED van kracht werd, heeft Vlaanderen ervoor gekozen om de bestaande EBO’s in te schuiven, in plaats van een volwaardig energiebesparingsbeleid uit te tekenen voor àlle sectoren.

Het kan anders. In Vlaanderen valt er vooral bij de KMO’s nog heel wat energiebesparing te realiseren, omdat zij vaak niet de technische expertise in huis hebben en energiebesparing niet genoeg aangepakt wordt. Extra stimulansen, ontzorging of verplichtingen kunnen hier nog het verschil maken. Voor de zware industrie loont het de moeite om de EBO’s te koppelen aan verplichte sectorale low carbon roadmaps: hoe gaan de petrochemie-, staal-, cement- en papiersectoren de transitie naar koolstofneutraal maken?

Het grootste deel (70%-75%) van de besparingen is te behalen door gebouwen te isoleren. En hier ligt ook de grootste nood om bijkomende beleidsmaatregelen te nemen. Drie jaar na de lancering van het Vlaamse Renovatiepact, vallen de energetische renovaties langzaamaan stil. Het wordt tijd om wat doortastender te werk te gaan met bijvoorbeeld een verplichting tot renovatie binnen de drie jaar na verkoop.

Nu energiebesparingen in transport kunnen meetellen, moeten we de kans grijpen om elektrisch vervoer te stimuleren. Inzetten op elektrisch vervoer zorgt ook voor jobcreatie. Ook een slimme kilometerheffing voor personenwagens kan mee in rekening gebracht worden als besparing. Een no-brainer is inzetten op elektrische fietsen. Hierbij slaan we 3 vliegen in een klap: energiebesparing, files terugdringen en een betere luchtkwaliteit. In 2016 werden 475.000 fietsen verkocht en dat zijn er ruim 25.000 meer dan in 2015. Een stijging die quasi volledig toe te wijzen is aan e-bikes.

Walk the talk

Er zijn tal van maatregelen die Vlaanderen zou kunnen invoeren en die zouden gelden onder de EED. Andere lidstaten maken die keuzes al, je ziet grote verschillen binnen de EU.

Waar nationale overheden een sterk beleid op poten zetten, schiet de markt in actie en maken ook burgers duurzame keuzes.